Remember Me

Bijstand aan vergunninghouders

 

  • Krijgen vergunninghouders de inrichtingskosten vergoed?

    Het college van burgemeester en wethouders (college B&W) heeft de bevoegdheid en verantwoordelijkheid of iemand bijzondere bijstand krijgt ter dekking van de kosten van de inrichting van de woning. Het college B&W kijkt dan naar de individuele omstandigheden van het geval.

    Bij uitgenodigde vluchtelingen, die op voordracht van de UNHCR naar Nederland komen, moet de gemeente meteen een basaal ingerichte woning opleveren. Deze vluchtelingen komen immers direct naar de gemeente. In dat geval verstrekt de gemeente om praktische redenen de duurzame gebruiksgoederen gratis en in natura. De gemeente kan dit combineren met bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening voor de overige noodzakelijke inrichting.

  • Wat is de ingangsdatum van de uitkering van een vergunninghouder? Is dit de datum van tekenen huurcontract of is dit het moment van vertrek uit het AZC?

    De ingangsdatum is het moment waarop de vergunninghouder zich meldt bij de gemeente / UWV. Als er nog een voorliggende voorziening is zoals de Regeling verstrekking asielzoekers(RvA) kan de gemeente geen bijstand verstrekken. Zolang de vergunninghouder in het AZC woont, heeft hij/zij recht op RvA.

  • Geldt de 4-weken-zoektermijn voor jongeren onder de 27 jaar ook voor vergunninghouders?

    Ja, maar er is een uitzondering voor deze groep.

    De vier weken termijn is bedoeld om jongeren tot 27 jaar - nadat zij zich hebben gemeld met de intentie om bijstand aan te vragen - eerst zelf actief te laten zoeken naar werk of een geschikte opleiding. Na afloop van de vier weken zoektijd kan de gemeente de aanvraag voor bijstand van de jongere in behandeling nemen. De gemeente beoordeelt of de jongere voldoende actief is geweest met het zoeken naar werk. Als dat het geval is, maar de jongere heeft toch geen werk en verder onvoldoende middelen van bestaan, kan de gemeente bijstand toekennen vanaf de dag van melding.

    Voor uitgenodigde vluchtelingen en statushouders die uit de centrale opvang verhuizen kan dat anders zijn. Op grond van art. 41 lid 8 Participatiewet kunnen zij na de melding, op verzoek, een voorschot krijgen in de vorm van een renteloze geldlening. Dat kan als "onevenredig bezwarende individuele omstandigheden daartoe noodzaken" en duurt zolang het recht op algemene bijstand niet is vastgesteld.

    Stimulanz heeft een praktische handreiking opgesteld, genoemd: 'Wijziging WWB en samenvoeging WIJ, oktober 2011 p.4'. Deze is te vinden via: http://www.gemeenteloket.minszw.nl/binaries/content/assets/WWB/2011-12-06/Handreiking-wijzigingen-WWB.pdf.

  • Vallen vergunninghouders ook onder de kostendelersnorm?

    Ja. Als er meer personen in een woning wonen, kunnen zij de woonkosten delen. Dat geldt voor alle inwoners van Nederland en dit is niet anders voor vergunninghouders die een woning delen.

    Uitgezonderd van de kostendelersnorm zijn:

    • jongeren tot 21 jaar;
    • kamerhuurders met een commercieel contract (en die een commerciële huurprijs betalen);
    • studenten die een opleiding volgen die recht kan geven op studiefinanciering of tegemoetkoming studiekosten;
    • studenten die een Beroeps Begeleidende Leerweg volgen (BBL-studenten).

    In al deze gevallen geldt geen korting op de uitkering.

  • Geldt de kostendelersnorm voor iemand die een vergunninghouder (tijdelijk) in huis neemt?

    Om die vraag te beantwoorden, is belangrijk te weten of het om tijdelijk verblijf gaat (ZZA-regeling). De staatssecretaris van SZW zegt daarover in de Verzamelbrief van 13 november 2015:

    "De persoon die tijdelijk bij een bijstandsgerechtigde inwoont, (…) hoeft (niet mee) te tellen voor de kostendelersnorm. Dit kan betekenen dat de persoon die tijdelijk bij een bijstandsgerechtigde inwoont, niet mee hoeft te tellen voor de kostendelersnorm.Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om mensen in crisissituatie en daklozen. Ook kan het van toepassing zijn op vergunninghouders die gebruik maken van het zelf zorgarrangement en tijdelijk bij iemand inwonen. Per 8 september 2015 is het Zelfzorgarrangement (zza) van kracht. Vergunninghouders kunnen - op vrijwillige basis - gebruik maken van deze regeling en zien daarmee af van (tijdelijke) opvang in COA-locaties. De zza biedt de mogelijkheid om elders te verblijven tot het moment dat er woonruimte is gevonden in een gemeente. Een deelnemer aan het zza zorgt zelf voor een verblijfadres. Dat kan een adres bij familieleden of bij vrienden zijn. De vergunninghouder ontvangt daarvoor een kleine financiële vergoeding om zelf te voorzien in onderdak. Het is aan de uitvoering om op basis van concrete feiten en omstandigheden van het individuele geval vast te stellen dat het gaat om tijdelijk verblijf. Er is dus geen sprake van een categoriale ontheffing van de kostendelersnorm."

  • Wat is de relatie tussen bijstand en het Zelfzorgarrangement (ZZA)?

    De bijstand kijkt of er niet reeds een zogeheten 'voorliggende voorziening' is, een recht uit een andere bron. De ZZA-regeling biedt vluchtelingen al een vorm van inkomen en is daarmee een voorliggende voorziening voor de bijstand. Gebruikers van de ZZA-regeling krijgen om die reden geen bijstand.

  • Wanneer heeft een vergunninghouder recht op een voorschot?

    De gemeente heeft 8 weken de tijd om het recht op een bijstandsuitkering vast te stellen. Om deze periode te overbruggen moet de gemeente een voorschot betalen, uiterlijk binnen vier weken na de datum van de aanvraag. Dit voorschot is in de vorm van een renteloze lening.

  • Mogen vergunninghouders een opleiding volgen met behoud van bijstand?

    Iemand die studeert kan meestal aanspraak maken of studiefinanciering. Als een vergunninghouder studiefinanciering ontvangt, is er geen recht op bijstand.

    De gemeente kan scholing of opleiding bieden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Indien er geen recht op studiefinanciering bestaat kan dit bijvoorbeeld ook schakelonderwijs of een (verkorte) hbo of wo-opleiding betreffen.

  • Krijgen vergunninghouders voor de inburgering de reiskosten en eigen bijdrage kinderopvang vergoed?

    Dit hangt van het beleid van de betreffende gemeente af. Het is de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de gemeente om te bepalen of en zo ja hoeveel bijzondere bijstand iemand krijgt. Dat hangt af van de persoonlijke omstandigheden.

  • Kunnen vergunninghouders een laptop krijgen?

    Voor het volgen van onderwijs door vergunninghouder zelf of leerplichtige kinderen en voor andere zaken, is het hebben van een laptop praktisch of soms zelfs noodzakelijk. Dat valt onder bijzondere bijstand en is nadrukkelijk aan de gemeente om dit te bepalen.

  • Hoe zit het met Kinderopvangtoeslag als er een partner in het buitenland is?

    Als de partner in het buitenland is of de partner is vermist, hebben statushouders met kinderen geen recht op kinderopvangtoeslag. Dat bepaalt art. 1.6 Wet op de Kinderopvangtoeslag.

    De gemeente kan in dat geval wel bijzondere bijstand verstrekken. De gemeente heeft de bevoegdheid en verantwoordelijkheid om dat zelf te bepalen.

    Ook zijn gemeenten verantwoordelijk voor Sociaal Medische Indicatie en kinderopvang (SMI). Voor SMI kunnen gezinnen in aanmerking komen die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag, bijvoorbeeld omdat maar een van de ouders werkt, terwijl de andere ouder om sociale of gezondheidsredenen tijdelijk niet in staat is om voor de kinderen te zorgen. Kinderopvang kan dan een (tijdelijke) oplossing bieden om de ouders te ontlasten en de ontwikkeling van het kind niet te schaden. Dat kan ook voor deze doelgroep gelden. Gemeenten krijgen jaarlijks extra middelen voor SMI.

  • Hoe zit het met de 'ALO-kop' als er een partner in het buitenland is?

    Als de partner in het buitenland is of de partner is vermist, dan heeft de vergunninghouder met kinderen geen recht op de de zogeheten ALO-kop. Dit is het extra kindgebondenbudget vanwege het wegvallen van de eenoudertoeslag in de Participatiewet. Dat komt door het brede toeslag-partnerbegrip in de bijstand. Kan de gemeente ter compensatie bijzondere bijstand verstrekken?

    Als de gemeente een signaal krijgt dat mensen als gevolg van het mislopen van de ALO-kop in de problemen komen, kunnen zij actie ondernemen. Dat kan onder andere via het toepassen van het centrale individualiseringsbeginsel in artikel 18, eerste lid, Participatiewet. Dit artikel biedt gemeenten de mogelijkheid om in individuele gevallen de hoogte van de algemene bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Daarnaast hebben de gemeenten ook bij deze problematiek de beschikking over het instrument van de individuele bijzondere bijstand. Ook dat zouden zij kunnen inzetten. De afweging maakt de gemeente zelf.

  • Welke bijstandsnorm geldt er als de partner geen verblijfvergunning heeft?

    Er is hier sprake van een niet-rechthebbende echtgenoot (art. 24). De rechthebbende echtgenoot ontvang 50% van de norm die zou gelden als hij gehuwd zou zijn met een rechthebbende echtgenoot. In de SZW verzamelwet 2016 is dit principe verduidelijkt. Tevens is in de memorie van toelichting daarbij aangegeven dat de individuele situatie van gehuwden met een niet-rechthebbende partner onderling sterk kan verschillen. Dit maakt dat bij toepassing van artikel 24 altijd goed gekeken moet worden naar de individuele situatie. Indien nodig heeft het college op basis van artikel 18 de mogelijkheid om in individuele gevallen de algemene bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

  • Vermoeden van misbruik van voorzieningen?

    Het komt wel eens voor dat mensen bij binnenkomst in Nederland als een 'plaatsingseenheid' worden aangemerkt (dus bij elkaar horen) maar vervolgens bij de gekoppelde gemeente aangeven aparte huisvesting en dito uitkering te wensen. De gemeente kan dan het gevoel krijgen dat dit om onoirbare motieven (bijv. hogere uitkering) gebeurt. In dat geval is het altijd verstandig om dit te signaleren bij de IND en de situatie voor te leggen. De IND kan dan indien nodig beoordelen of de eerdere beslissing dient te worden herzien en/of de verblijfsvergunning dient te worden ingetrokken.

    De melding kan doorgegeven worden aan de IND-ketenservicelijn: ketenservice@ind.minvenj.nl of 088-0430500.

  • Andere vragen over werk en inkomen?

    Neem contact op met het gemeenteloket van SZW www.gemeenteloket.minszw.nl en stel uw vraag via het contactformulier of stuur een mail naar: projectvluchtelingen@minszw.nl

  • Wie betaalt de huur van de woonruimte voor een vergvergunninghouder?

    Vergunninghouders betalen zelf de huur voor hun woning, Zij betalen, net als iedereen, de normale huurprijs. Dat kan omdat zij met een verblijfsvergunning recht hebben op een bijstandsuitkering. Daar kunnen ze de huur mee betalen.

    De enige uitzondering zijn vergunninghouders die in de gemeente worden geplaatst via het Gemeentelijk versnellingsarrangement. Zij vallen nog onder het regime van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en krijgen dus dezelfde vergoedingen als iemand in het COA. Dit is zakgeld en leefgeld. Zij krijgen dus geen bijstandsuitkering. De gemeente levert de huisvesting (zonder dat de vergunninghouder huur hoeft te betalen). De gemeente krijgt hiervoor maandelijks een bedrag voor de huisvesting van deze vergunninghouders van het COA.

Taakstelling

 

  • Wie is verantwoordelijk voor de huisvesting van vluchtelingen?

    Het huisvesten van vluchtelingen met een verblijfsvergunning is een taak van de gemeenten. De Huisvestingswet geeft hen die verantwoordelijkheid. Het Rijk bepaalt de aantallen, zowel op landelijk als gemeentelijk niveau. Provincies houden wettelijk toezicht op de voortgang.

  • Hoe weet een gemeente hoeveel vluchtelingen zij moet huisvesten?

    Dat laat het Rijk per brief weten. Ieder half jaar wordt het landelijk cijfer (taakstelling) gepubliceerd in de Staatscourant door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. De minister voor Wonen en Rijksdienst stuurt de gemeente een brief hoeveel vergunninghouders zij moeten huisvesten (taakstelling per gemeente). De taakstelling wordt in april en oktober bekend gemaakt. De halfjaarlijkse taakstelling loopt van 1 januari tot en met 30 juni en van 1 juli tot en met 31 december.

    De landelijke taakstelling komt tot stand door een beredeneerde schatting. Het Rijk kijkt daarbij naar de mensen in de asielzoekerscentra die al een verblijfsvergunning hebben of die er een mogen verwachten. Ook nieuwe asielzoekers en nareizende familieleden zijn onderdeel van de prognose. De verdeling per gemeente hangt af van het aantal inwoners in een gemeente. Dit is geregeld in de Huisvestingswet.

    Taakstelling per gemeente voor de 1e helft van 2016
    Taakstelling per gemeente voor de 2e helft van 2016

  • Waarom worden vergunninghouders over gemeenten verdeeld naar rato van het aantal inwoners?

    Rijk, provincie en gemeenten hebben afspraken gemaakt om vergunninghouders te verdelen over Nederland. Hierbij wordt gekeken naar het aantal inwoners in een gemeente. Dit is geregeld in de Huisvestingswet.

  • Waarom hebben vluchtelingen met een verblijfsvergunning voorrang bij het toewijzen van een sociale huurwoning?

    Zodra een asielzoeker een (tijdelijke) verblijfsvergunning krijgt, dan is het de bedoeling dat hij/zij vanuit het asielzoekerscentrum (azc) doorstroomt naar de reguliere woningmarkt.

    Gemeenten hebben de taak om vergunninghouders woonruimte te geven. Een gemeente bepaalt zelf of sommige groepen woningzoekenden recht hebben op voorrang bij een sociale huurwoning. Dit regelt de gemeente in een huisvestingsverordening. Heeft een gemeente zo'n verordening? Dan is zij verplicht om bepaalde groepen voorrang te geven. Zoals mensen die mantelzorg krijgen of uit een GGZ-instelling komen en asielzoekers met een verblijfsvergunning (vergunninghouders).

    Het kabinet wil dat de wachttijd voor andere woningzoekenden niet oploopt. Daarom heeft de minister voor Wonen en Rijksdienst een wetswijziging ingediend dat regelt dat vergunninghouders niet meer automatisch voorrang krijgen bij een sociale huurwoning als een gemeente een huisvestingsverordening heeft. De verandering gaat in na het aanpassen van de Huisvestingswet. Daarover beslissen de Tweede en Eerste Kamer nog. Een gemeente kan na de aanpassing alsnog besluiten om vergunninghouders als voorrangsgroep op te nemen in de huisvestingsverordening, maar het automatisme vervalt dan.

  • Kunnen gemeenten hun taakstelling overhevelen naar woningcorporaties?

    Nee, de gemeente blijft verantwoordelijk. De Huisvestingswet 2014 is daar duidelijk over. Woningcorporaties hebben wel een sleutelrol bij de uitvoering. Daar kunnen prestatieafspraken tussen gemeenten en corporaties aan ten grondslag liggen. Bijvoorbeeld door afspraken over het tijdig huisvesten van het aantal aan de gemeente toegewezen vergunninghouders.

  • Wat gebeurt er als een gemeente pas aan het einde van de taakstellingsperiode in actie komt?

    Gemeenten hebben 6 maanden de tijd om aan hun taakstelling te voldoen. Hierover kunnen zij afspraken maken met woningcorporaties en particuliere verhuurders via de lokale woonvisie. Het is wenselijk om al vanaf het begin van de periode het aantal te huisvesten vergunninghouders aan een woning te helpen. Het kan zijn dat er op dat moment geen geschikte woning beschikbaar is. Daarom wordt aan het eind van het half jaar bepaald hoe de gemeente er exact voorstaat. Als een gemeente aan het einde van de taakstellingsperiode onvoldoende vergunninghouders van een woning heeft voorzien, gaan de achterstanden mee naar een volgende periode. De provincie kan langdurige of grote achterstanden onacceptabel vinden en plaatsvervangend actie nemen, vanuit hun toezichthoudende rol.

  • Kan een gemeente een vergunninghouder weigeren?

    Nee. De gemeente krijgt een informatieformulier met het profiel van de vergunninghouder. De koppeling van de vergunninghouder aan de gemeente door het COA is dwingend. De gemeente moet deze vergunninghouder huisvesten. De regievoerder bij het COA, tevens contactpersoon voor de gemeente, weegt tevoren zoveel mogelijk alle informatie; over het profiel van de vluchteling, taakstellingen in de regio en de woningmarkt.

Huisvestingsproces

 

  • Hoe ziet de rol van de provincie er uit?

    De provincie is toezichthouder op de gemeenten. De provincie houdt met haar toezicht de vinger aan de pols hoe het gaat met de taakstelling. De provincie kan het huisvestingsproces ook proberen te versnellen. Door bij achterstanden snel aan de bel te trekken. En door - met haar kennis over de hele provincie - te wijzen op samenwerkingsmogelijkheden. Als het manen van de achterblijvers niet helpt, kan de provincie zelf de huisvesting van vergunninghouders ter hand nemen. De rekening gaat dan naar de betreffende gemeente. De Wet Revitalisering generiek toezicht maakt het 'in de plaats treden' mogelijk.

  • Loont regionale samenwerking?

    Tal van gemeenten slaan de handen al ineen op het gebied van het huisvesten van asielzoekers en vergunninghouders. En op diverse terreinen die daarmee te maken hebben zoals inburgering en arbeidsvoorzieningen. Zo kunnen gemeenten hun taakstellingen realiseren door onderlinge samenwerking. Bijvoorbeeld door afspraken te maken over welke gemeente alleenstaanden, minderjarige vluchtelingen of juist grote gezinnen aan een woning helpt. Afstemming van huisvestingsverordeningen of het opstellen van een regionale verordening biedt regionaal mogelijkheden. Ook kunnen gemeenten gezamenlijk investeren in nieuwe huisvesting of woningaanpassingen.

  • De gemeente heeft geen huisvestingsverordening. Zijn woningcorporaties dan toch aanspreekbaar?

    Gemeenten hebben de taak om vergunninghouders woonruimte te geven. Woningcorporaties hebben vaak een sleutelrol bij de uitvoering. Daar kunnen prestatieafspraken tussen gemeenten en corporaties aan ten grondslag liggen. Bijvoorbeeld door afspraken over het tijdig huisvesten van het aantal aan de gemeente toegewezen vergunninghouders.

  • Kunnen vergunninghouders zelf een woning zoeken?

    Ja. Vergunninghouders mogen zelf een woning zoeken. En ze hebben de mogelijkheid gebruik te maken van onderdak bij familie of vrienden via het 'zelfzorgarrangement (zza)' en de 'logeerregeling'. In de praktijk blijkt dat het moeilijk is om zelf een woonadres te vinden. Veel vergunninghouders zijn aangewezen op de hulp van een gemeente en woningcorporatie. Als de vergunninghouder zelf een woning heeft gevonden en een getekend huurcontract kan laten zien, dan staakt het COA zijn bemiddeling richting de gemeente.

  • Wat is de streeftijd voor het huisvesten van een vergunninghouder?

    De norm is 14 weken vanaf het moment dat de asielzoeker te horen heeft gekregen dat hij/zij een (tijdelijke) verblijfsvergunning krijgt. In de eerste 2 weken heeft de vergunninghouder een gesprek met het COA. Daarna zorgt het COA dat de vergunninghouder aan een gemeente wordt gekoppeld. De gemeente heeft de zorg om binnen 10 weken een woning te vinden voor deze vergunninghouder. Daarna is het tijd om te verhuizen wat maximaal 2 weken in beslag neemt.

  • Waarom is snel inschrijven in de Basisregistratie Personen belangrijk?

    Om een vergunninghouder een woning te kunnen geven moet hij/zijn ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Zonder deze inschrijving krijgt de vergunninghouder geen Burger Service Nummer (BSN). Een BSN is nodig voor allerlei administratieve processen, bijvoorbeeld voor het aanvragen van toeslagen en het regelen van verzekeringen. Ook voor een woonvergunning is een BSN nodig, anders kan de vergunninghouder alsnog niet naar zijn/haar woning.

    De inschrijving moet snel en correct plaatsvinden. Het is van belang om namen goed te schrijven en de gegevens volledig in te vullen.

  • Kunnen gemeenten alleen via corporaties woningen aanbieden?

    Nee. Hoewel woningcorporaties vaak een sleutelrol hebben in de huisvesting van vergunninghouders, kunnen gemeenten ook afspraken maken met ander verhuurders. Veel particuliere verhuurders hebben betaalbare huurwoningen waar vergunninghouders kunnen gaan wonen. Opnieuw Thuis heeft hierover een factsheet gepresenteerd.

    Voor alleenstaanden is niet-zelfstandige huisvesting ook een mogelijkheid. Zij delen dan bepaalde voorzieningen, zoals de keuken, de douche, het toilet of de woonkamer. Ook kunnen vergunninghouders onderdak vinden bij familie of vrienden via het 'zelfzorgarrangement (zza)'en de 'logeerregeling'.

  • Wanneer is het huisvestingstraject afgelopen?

    Het huisvestingsproces stopt als het COA de vergunninghouder heeft uitgeschreven. Dit gebeurt nadat de gemeente bij afmelding voor de taakstelling heeft verklaard dat gezorgd is voor een woning en voor BRP-inschrijving. Hierna wordt de vergunninghouder meteen digitaal aangemeld voor de taakstelling.

  • Kan er maatwerk geleverd worden?

    Het COA probeert waar mogelijk maatwerk te leveren. De regievoerder van het COA heeft hierin een belangrijke rol en zal hierover in contact treden met de gemeente.

    Het COA heeft wel een sterke voorkeur voor het first-in-first-out-principe (fifo). Dat is een eerlijk systeem dat recht doet aan de situatie van de vergunninghouder: degene die het langst wacht, komt als eerste in aanmerking voor tijdelijke huisvesting in de gemeente en kan zijn leven in deze gemeente gaan opbouwen. Als het COA op verzoek van de gemeente andere selectiecriteria zou hanteren (bijvoorbeeld:jongeren, alleenstaande vrouwen, een specifieke nationaliteit of vergunninghouders die willen studeren) dan moet het COA het fifo-principe loslaten. Er moet dan uitgelegd worden aan de achterblijvende vergunninghouders waarom zij niet in aanmerking komen en een ander, die minder lang op huisvesting in dezelfde gemeente wacht, wel.

    Veel gemeenten verzoeken het COA om gezinnen. Of dit mogelijk is, hangt af van de samenstelling van de populatie. Ook moet niet het beeld ontstaan dat gezinnen eerder huisvesting krijgen dan alleenstaanden. Op dit moment zijn er veel alleenstaande mannen in de opvang. Veel van deze mannen zijn bezig met gezinshereniging.

  • Vragen en antwoorden n.a.v. het uitwerkingsakkoord hoge asielinstroom

    Gemeenten blijken nog de nodige vragen te hebben over het Uitwerkingsakkoord Verhoogde Asielinstroom dat gemeenten en Rijk hebben gesloten. Deze vragen zijn nu door het ministerie van BZK en VNG/OTAV gebundeld in één document:Q&A Uitwerkingsakkoord Verhoogde Asielinstroom

    Mocht u ook nog vragen hebben met betrekking tot het uitwerkingsakkoord, neem dan contact op met de accountmanagers van OTAV via otav@vng.nl of 070 373 83 98.

  • Wie is er verantwoordelijk voor de huisvesting en begeleiding van alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV)?

    In het bestuursakkoord van november 2015 is, mede op verzoek van gemeenten, afgesproken dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv) kleinschalig in de gemeenten worden opgevangen. Onderdeel van deze afspraak is dat amv's meetellen voor de taakstelling en zodra ze 18 jaar worden in de gemeente worden gehuisvest. De VNG/OTAV en het Platform Opnieuw Thuis hebben een factsheet gemaakt over de opvang en begeleiding van amv's in deze nieuwe situatie en over hun huisvesting bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar.

Verblijfsdocumenten en inschrijving BRP

 

  • Er is een woning maar nog geen BRP-inschrijving. Wachten of zelf inschrijven?

    De gemeente, vaak de afdeling Huisvesting, wil de vergunninghouder huisvesten maar weet niet of hij/zij al is ingeschreven in de BRP. De medewerker van afdeling Huisvesting zoekt dan contact met de afdeling Burgerzaken van de gemeente waar de vergunninghouder in het AZC verblijft. Zo kan men ontdekken of de inschrijving in de BRP van de vergunninghouder al gedaan is of nog in het proces zit.

    Als dat nog niet zo is, kan de medewerker van afdeling Huisvesting aan afdeling Burgerzaken/Publiekszaken van de eigen gemeente vragen om de vergunninghouder direct in de eigen gemeente te registreren. Daarvoor kan Burgerzaken bij de Ketenservicelijn van de IND een zogenoemd gemeente-dossier opvragen. De vergunninghouder wordt dan ingeschreven op het adres van de woning waarin de gemeente hem wil vestigen.

    Als de vergunninghouder wel al in de BRP-inschrijfprocedure in de AZC-gemeente zit, dan is het - om de kans op dubbelinschrijving te verkleinen - raadzaam om het inschrijfproces in de AZC-gemeente even af te wachten. Men kan natuurlijk wel vragen aan de AZC-gemeente hoe lang zij denken dat de procedure nog gaat duren en daar heldere afspraken over maken.

  • De gemeente wil zelf inschrijven in de BRP maar beschikt niet over de daartoe benodigde documenten.

    Om zelf vlot de eerste inschrijving van vergunninghouders ter hand te kunnen nemen kan de gemeente het dossier over de vergunninghouder opvragen via de ketenservicelijn van de IND. In het dossier zitten alle benodigde stukken voor de inschrijving, voor zover aanwezig bij de IND. De gemeente kan de inschrijving dan voorbereiden en een afspraak maken met de vergunninghouder voor de daadwerkelijke inschrijving.

    Bij de IND Ter Apel zijn medewerkers inschrijving BRP (MIB'ers) in dienst die de dossiers voor gemeenten maken, als die daar om vragen.

    Standaard zit in het dossier dat naar de gemeente wordt gestuurd:

    • Aanmeldfase gehoor
    • Beschikking Asiel
    • Mededeling art.2.17 (nationaliteit en geboortedatum)
    • Kopie brondocumenten met eventuele vertaling
    • Kopie identificerende- en reisdocumenten met eventuele vertaling
    • Verklaring van onderzoek
    • Indien van toepassing, uitslag DNA-onderzoek

    Als het een MVV (nareis-)dossier betreft, zit er ook het eerste gehoor van de referent in.

    IND-ketenservicelijn is bereikbaar voor vragen over documenten en naturalisatie of voor vragen aan het Koppelingsbureau via telefoonnummer 088 0430 500 of per mail ketenservice@ind.minvenj.nl

  • De gemeente wil zelf inschrijven in de BRP maar ziet onbekende documenten.

    De vergunninghouder overlegt documenten, maar de gemeente weet niet hoe die documenten te moeten beoordelen op echtheid en relevantie. Het handigste is het als de gemeente in dat geval eerst contact opneemt met de IND Ketenservicelijn (088 0430 5500 of ketenservice@ind.minvenj.nl). De IND kan informatie geven over welke documenten al werden onderzocht en wat de bevinding was.

    Als blijkt dat de IND de documenten al onderzocht heeft en akkoord heeft bevonden, dan kan de gemeente vervolgens zelf de inschrijving doen.

    Blijken documenten nog niet eerder onderzocht te zijn maar wel relevant voor de inschrijving, dan kan de gemeente de desbetreffende documenten opsturen aan de IND: Bureau Documenten, Postbus 7025, 8007 HA Zwolle.

    IND-ketenservicelijn is bereikbaar voor vragen over documenten en naturalisatie of voor vragen aan het Koppelingsbureau via telefoonnummer 088 0430 500 of per mail ketenservice@ind.minvenj.nl

  • De naam op het verblijfsdocument klopt niet. Wat kan de gemeente doen?

    Voor de aanvraag van een nieuw verblijfspas nog een ingevuld 'vernieuwingsformulier' nodig. Dit doet de vergunninghouder zelf. Vervolgens zal de IND binnen enkele dagen een nieuwe pas bestellen. De vergunninghouder krijgt schriftelijk bericht zodra het verblijfsdocument kan worden opgehaald bij een IND-loket.

    De gemeente kan vanzelfsprekend wel te allen tijde de ketenservicelijn bellen voor vragen en advies. Belangrijk om te weten is onder meer of de vergunninghouder een aanvraag om een nieuw verblijfsdocument heeft gedaan en wat de status hiervan is.

    De afgelopen maanden hebben de IND en de gemeente Rotterdam een test gedaan waarbij de gemeente names de vergunninghouder een nieuw verblijfsdocument aanvraagt. Uit de test is gebleken dat de reguliere procedure, waarin de vergunninghouder zelf het nieuwe verblijfsdocument aanvraagt (via formulier vervanging/vernieuwing) volstaat. Ook verificatie bij enkele andere gemeenten heeft tot de conclusie geleid dat er geen behoefte is aan een extra mogelijkheid voor de gemeente om een verblijfsdocument aan te vragen. Wel is inmiddels de reguliere procedure versneld zodat de vergunninghouder snel na melding een correct verblijfsdocument ontvangt.

    IND-ketenservicelijn is bereikbaar voor vragen over documenten en naturalisatie of voor vragen aan het Koppelingsbureau via telefoonnummer 088 0430 500 of per mail ketenservice@ind.minvenj.nl

  • De gemeente heeft weinig ervaring met inschrijving van de doelgroep.

    De gemeente kan desgewenst hulp en bijstand inroepen via het contactcentrum Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG). Het conctactcentrum is bereikbaar via telefoonnummer 088 900 1000 of e-mailadres info@rvig.nl.

  • De gemeente heeft te weinig personeel om (veel) vergunninghouders in korte tijd in te schrijven.

    Gemeenten die onvoldoende capaciteit hebben of voorzien om (verwachte) pieken of hoge voorraden in eerste inschrijvingen op te kunnen vangen of weg te kunnen werken, kunnen ondersteuning vragen bij ICTU. ICTU verzorgt in opdracht van het ministerie van BZK het project 'versnelde eerste inschrijving vergunninghouders' (VEIV). Het project levert tijdelijk extra capaciteit om de gemeente te ondersteunen met de eerste inschrijvingen. Gemeenten zijn daarover met een brief geïnformeerd.

    Verzoeken om hulp kan de gemeente richten aan veiv@ictu.nl of telefoonnummer 06 2506 7613.

  • De gemeente heeft woonruimte beschikbaar maar volgens haar geen plaatsbare/gekoppelde vergunninghouders.

    Soms krijgen gemeenten woonruimte beschikbaar, terwijl alle gekoppelde vergunninghouders onder dak zijn of hen al een woning is toegewezen. Het COA kan dan elders gekoppelde vergunninghouders ontkoppelen en beschikbaar maken voor gemeenten met woonruimet. Het COA moet dan wel eerst nagaan of het die vergunninghouders niet weghaalt bij een gemeente die hen net aan het plaatsen was. Dat is binnen twee werkdagen geregeld.

    Wil de gemeente bovenop de taakstelling extra vergunninghouders huisvesten? Graag! Het COA zal dan kijken waar de wachttijden elders lang zijn. Daar ontkoppelt ze dan vergunninghouders en stuurt hen richting gemeenten met beschikbare woningen. Deze herkoppeling is binnen twee werkdagen geregeld. Soms moet het COA putten uit de nieuwe aanwas vergunninghouders. Dat vraagt iets meer tijd.

    Het COA wil gemeenten dus zo veel mogelijk tegemoet komen. Concrete afspraken hierover maken gemeenten met de regievoerder van het COA. Maar deze werkwijze vraagt ook souplesse van gemeenten. Zo zullen gemeenten er rekening mee moeten houden dat het niet altijd mogelijk is om de ideale bewonerssamenstelling voor de woning te vinden. Het kan zijn dat voor een gezinswoning ook combinaties van alleenstaande vergunninghouders worden aangeboden. Er zijn op dit moment nu eenmaal veel alleenstaanden.

  • Heeft de vergunninghouder nog nareizende gezinsleden?

    Vanaf maart 2016 kan de gemeente in het taakstellingsvolgsysteem (TVS) precies volgen:

    • Of er nog gezinsleden in het buitenland zijn
    • Of de vergunninghouder voor hen een nareis-vergunning (mvv) heeft aangevraagd
    • Wanneer de toegewezen vergunning is opgehaald bij de buitenlandse post
    • Wanneer de gezinsleden in Nederland zijn aangekomen
    • Of en wanneer ze uit het aanmeldcentrum zijn vertrokken.
  • Wat te doen als er helemaal geen documenten zijn (ongedocumenteerden)?

    Een gemeente kan in dat geval toch contact opnemen met de Ketenservicelijn van de IND om een gemeente-dossier op te vragen. Daar zijn in ieder geval dan documenten in te vinden die de IND heeft aangemaakt zoals rapport van eerste gehoor, beschikking, artikel 2.17 verklaring e.d. Zo heeft de gemeente een basis om de verklaring onder ede of belofte voor te bereiden voor de ongedocumenteerde vluchteling.

    IND-ketenservicelijn is bereikbaar voor vragen over documenten en naturalisatie of voor vragen aan het Koppelingsbureau via telefoonnummer 088 0430 500 of per mail ketenservice@ind.minvenj.nl

  • Als de vergunninghouder is gekoppeld aan een gemeente, is hij dan al ingeschreven in de BRP en heeft hij dan al een verblijfspas en een bankpas?

    Het COA spoort de vergunninghouder aan om zich zo snel mogelijk te melden bij de gemeente waarin het AZC ligt voor inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP). De vergunninghouder moet zich binnen vijf dagen na het verkrijgen van de vergunning melden. De snelheid van inschrijven hangt af van de betreffende gemeente. Indien de vergunninghouder nog niet is ingeschreven, neemt het COA meteen contact op met de gemeente die voor inschrijving moet zorgen.

    De verblijfspas kan uiterlijk twee weken na het slaan van de beschikking opgehaald worden, mits de vergunninghouder is ingeschreven in de BRP. Het COA wijst de vergunninghouder er op dat het openen van een eigen bankrekening een voorwaarde is om uitkering te kunnen ontvangen.

  • De gemeente heeft een vraag over administratieve processen en die vraag staat niet hierboven.

    U kunt contact opnemen met de volgende organisaties:

    Wie

    Waarvoor

    Contactgegevens

    Ketenservicelijn van de IND

    Vragen over documenten, over naturalisatie en vragen aan het Koppelingsbureau

    ketenservice@ind.minvenj.nl
    of 088-0430500

    de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG)

    vragen over de wet- en regelgeving rond identiteitsgegevens

    info@rvig.nl
    of 088-900 10 00

    NVVB

    individuele vragen over de Burgerlijke Stand

    website NVVB
    of 020-253 90 07

    ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

    voor vragen over Werk en Integratie in het kader van vluchtelingen

    projectvluchtelingen@minszw.nl

    COA

    vragen over gekoppelde of nog te koppelen vergunninghouders

    uitstroomondersteuning@COA.nl of 088-715 75 19

    Ondersteuningsteam asielzoekers en vergunninghouders (OTAV) bij de VNG

    vragen die gemeenten kunnen hebben rondom het asiel- en vluchtelingendossier, inclusief potentiële ondersteuning

    otav@vng.nl
    of 070-373 83 98

    ICTU

    als gemeenten ondersteuning willen van een mobiel team voor het helpen bij inschrijvingen in de BRP

    veiv@ictu.nl
    of 06 25 06 76 13

Gemeentelijk Versnellingsarrangement (GVA)

 

  • Waarom een GVA regeling?

    Door de aanhoudende hoge instroom van asielzoekers naar Nederland en de achterblijvende uitstroom van vergunninghouders naar gemeenten, staat de beschikbare opvangcapaciteit van het COA onder grote druk. Op 27 november 2015 is in het bestuursakkoord 'Verhoogde asielinstroom' tussen het Rijk en de VNG een nieuwe regeling opgesteld die als doel heeft de uitplaatsing van vergunninghouders te versnellen en zo capaciteitsplekken op de asielzoekerscentra te genereren. Dit Gemeentelijk versnellingsarrangement (gva) vervangt het Gemeentelijk zelfzorgarrangement (gzza). Het besluit hiertoe van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is op 24 december 2015 in de Staatscourant gepubliceerd.

  • Wat is het doel van deze GVA regeling?

    Het doel van de regeling is de uitstroom van vergunninghouders naar gemeenten te versnellen zodat er opvangcapaciteit vrijkomt voor nieuwe asielzoekers en vergunninghouders op de azc's.

  • Wat houdt de GVA regeling in het kort in?

    Gemeenten die een tekort aan reguliere woningen voor de aan hen gekoppelde vergunninghouders hebben kunnen met het gva tijdelijke woonruimten voor deze vergunninghouders beschikbaar stellen. De vergunninghouder wacht in deze tijdelijke woonruimte op zijn definitieve huisvesting. Met het onderbrengen van vergunninghouders in deze tijdelijke woonruimten komt er op de asielzoekerscentra capaciteit vrij voor nieuwe asielzoekers en vergunninghouders.

    Een vergunninghouder die tijdelijk in het gva is geplaatst telt mee voor de taakstelling van de betreffende gemeente. Eenmaal geplaatst in een gva-woning keert de vergunninghouder niet meer terug naar de COA-opvang.

  • Wat is de duur van de GVA regeling?

    De huidige GVA-regeling is voor één jaar opengesteld vanaf 1 januari 2016. Dit betekent dat een vergunninghouder nog op 31 december 2016 tijdelijk mag worden gehuisvest door middel van het GVA en dat voor maximaal 2 jaar. Omdat GVA voorzieningen gericht zijn op doorstroming naar gewone huisvesting hield dat een exploitatierisico in voor gemeenten, door oplopende leegstand. VenJ zal eind 2016 evalueren of er reden is om de periode van openstelling te verlengen. Maar vooruitlopend op die evaluatie heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie toegezegd dat:

    1. alle GVA-plekken met een vergunninghouder erin bekostiging krijgen tot 31 december 2018

    2. gemeenten ook ná 31 december 2016 vergunninghouders kunnen plaatsen op bestaande GVA-plekken die voor 31 december 2016 zijn aangemeld bij het COA

    3. de realisatie van tijdig aangemelde GVA-plekken uiterlijk 1 juli 2017 voltooid moet zijn.

     

  • Hoe lang verblijft een vergunninghouder in gva woonruimte?

    In principe verblijft de vergunninghouder in de tijdelijke gva-woning tot het moment dat de gva-gemeente een permanente woning heeft gevonden. Omdat de vergunninghouders die het langst gekoppeld zijn aan de gemeente in principe als eerste worden geplaatst in het gva, is het de bedoeling dat deze vergunninghouders ook als eerste doorstromen naar definitieve huisvesting.

    Indien de gemeente na 24 maanden (gerekend vanaf datum vergunningverlening) nog geen definitieve huisvesting heeft gevonden, stopt het COA de huisvestingsvergoeding voor de gemeente en ook de verstrekkingen aan de vergunninghouder. De gemeente neemt de vergunninghouder definitief over. Er is dus geen sprake van herinstroom op de COA-locaties. De tegemoetkoming aan de gemeente en de verstrekkingen aan de vergunninghouder worden eveneens beëindigd wanneer de vergunninghouder zelfstandig andere huisvesting vindt, of met onbekende bestemming de gva-woning verlaat.

  • Wie komen voor het gva in aanmerking?

    Het gaat om vergunninghouders (gezinnen en alleenstaanden), waarvoor het huisvestingstraject is opgestart. Dat wil zeggen dat de vergunninghouder al is gekoppeld aan een gemeente en dat in principe de eerste inschrijving in de Basisregistratie personen (BRP) heeft plaatsgevonden.

    In overleg met de gva-gemeente kan eventueel besloten worden om ook vergunninghouders zonder burgerservicenummer (BSN) in het gva te plaatsen. De gva-gemeente zorgt dan voor de benodigde eerste inschrijving in de BRP. Er kunnen in totaal maximaal 10.000 vergunninghouders deelnemen aan het gva conform de voorwaarden van de regeling.

  • Wie komen er niet in aanmerking voor het gva?

    Alleenstaande minderjarige vergunninghouders (amv'ers) en vergunninghouders met een hoger dan gemiddeld gezondheidsrisico (bijvoorbeeld hoogzwangeren) komen niet in aanmerking voor gva woonruimte. Tijdelijke opvang betekent voor deze laatste groep namelijk een extra verhuisbeweging en elke verhuisbeweging brengt risico met zich mee.

  • Komen alleen de vergunninghouders in aanmerking die aan de betreffende gva-gemeente zijn gekoppeld?

    In eerste instantie selecteert het COA de aan de gva-gemeente gekoppelde vergunninghouders.

    Het kan voorkomen dat er niet genoeg aan de gva-gemeente gekoppelde vergunninghouders in de opvang verblijven die in aanmerking komen voor het gva. In dit geval kan het COA vergunninghouders in de gva-woning plaatsen die aan andere gemeenten zijn gekoppeld. Deze vergunninghouders worden omgekoppeld naar de gva- gemeente en gaan ook meetellen voor de taakstelling. De gva-gemeente gaat ook voor hen op zoek naar definitieve huisvesting. Het besluit tot omkoppeling gaat altijd in goed overleg met de betrokken gemeenten.

    Daarnaast kan het gva ingezet worden als regionale overloopfunctie: Een gemeente kan via het gva meer vergunninghouders huisvesten dan op het dat moment gekoppeld zijn aan de gemeente. Tussen gemeenten onderling moeten duidelijke afspraken worden gemaakt over de reguliere huisvesting.

  • Telt de tijdelijke woonruimte die de gemeente aanbiedt voor het gva mee voor de taakstelling?

    Ja. Vanaf het moment van plaatsing in de gva-woning tellen de vergunninghouders mee voor de taakstelling.

    De vergunninghouders die volgens het gva geplaatst zijn, moeten zo snel mogelijk doorstromen naar reguliere, permanente huisvesting. Uiterlijk 24 maanden (gerekend vanaf datum vergunningverlening) moet er definitieve huisvesting gevonden zijn. Het COA stopt op dat moment (of eerder wanneer er definitieve huisvesting is gevonden) de verstrekkingen aan de vergunninghouder en ook de huisvestingsvergoeding (zie hieronder) aan de gemeente.

  • Gemeenten ontvangen van het COA een huisvestingsvergoeding. Wat is dat?

    Gemeenten ontvangen van het COA een huisvestingsvergoeding voor vergunninghouders in de gva-regeling van € 50 per week per volwassene en € 25 per week per kind. Het betreft een tegemoetkoming in de kosten die de gemeente maakt voor huur, onderhoud, inrichting, leegstandskosten en kosten die verbonden zijn aan het functioneren van de ambtelijke organisatie (apparaatskosten).

  • Hoe wordt de huisvestingsvergoeding aan de gemeente uitgekeerd?

    De gva-gemeente ontvangt maandelijks van het COA een bezettingsoverzicht. Na controle op volledigheid en juistheid door de gemeente, wordt de vergoeding uitgekeerd.

  • Is de Regeling maatschappelijke begeleiding asielgerechtigden (Rmba) van toepassing?

    Ja. Op grond van het bestuursakkoord tussen het Rijk en de VNG komt een gemeente die een vergunninghouder in het gva heeft geplaatst ook in aanmerking voor de vergoeding voor maatschappelijke begeleiding. De vergoeding wordt eenmalig per vergunninghouder aan de gemeente uitgekeerd, los van het huisvestingsarrangement (tijdelijk of permanent).

  • Hoe hoog is de vergoeding voor maatschappelijke begeleiding?

    Het bedrag is voor de jaren 2016 en 2017 vastgesteld op €2.370 euro per vergunninghouder. Dit bedrag wordt onafhankelijk van het huisvestingsarrangement (tijdelijk of permanent) eenmalig vergoed aan de gemeente.

  • Hoe wordt de vergoeding voor maatschappelijke begeleiding uitgekeerd?

    De vergoeding wordt uitgekeerd door het COA. Zodra de vergunninghouder zich vestigt in een gemeente, krijgt deze gemeente van het COA binnen een maand een brief met daarin een overzicht van welke asielgerechtigden binnen die gemeente recht hebben op een vergoeding voor maatschappelijke begeleiding. In antwoord daarop kan de gemeente aangeven in aanmerking te willen komen voor deze eenmalige vergoeding.

  • Moet de vergunninghouder ingeschreven worden in de BRP?

    Vergunninghouders die deelnemen aan het gva beschikken al over een burgerservicenummer (BSN). De eerste inschrijving in de Basisregistratie personen (BRP) heeft dus al plaatsgevonden in de azc-gemeente waar de vergunninghouder eerder verbleef.

    Alle vergunninghouders die deelnemen aan het gva moeten zich vervolgens overschrijven naar de gva-gemeente waar ze verblijven. Hierdoor worden ze formeel ingezetene van deze gemeente.

  • Hoe zien de gva-woningen er uit?

    Tijdelijke huisvesting in het kader van het gva betekent dat de huisvesting niet bestemd of geschikt is voor permanente bewoning. Er zit dan ook geen woonbestemming op. De tijdelijke gva-woonruimte kan van alles zijn, zoals een woning op een vakantiepark, alle vormen van logies (zoals hotels, pensions, bed & breakfast en Airbnb), stacaravans en overige woongelegenheden met recreatieve bestemming en leegstaand vastgoed zonder woonbestemming. Het is mogelijk dat vergunninghouders voorzieningen als keuken, douche en wc moeten delen met anderen.

    Alle gva-woningen voldoen aan de minimale eisen die voor reguliere huisvesting in de Nederlandse wetgeving (Bouwbesluit) zijn vastgelegd. De gemeente is via bouw- en woningtoezicht verantwoordelijk voor toetsing en handhaving hiervan. Zie ook de handreiking 'Woonunits: heel normaal'

    Gemeenten zijn vrij in hun keuze of zij zelf als gastheer optreden en zorgdragen voor geschikte woonruimte of dat zij gebruikmaken van het aanbod van particulieren die zich als gastgezin hebben aangemeld.

  • Wie beoordeelt of de gva-woningen geschikt zijn voor bewoning?

    Alle gva-woningen voldoen aan de minimale eisen die voor reguliere huisvesting in de Nederlandse wetgeving (Bouwbesluit) zijn vastgelegd. De gemeente is via bouw- en woningtoezicht verantwoordelijk voor toetsing en handhaving hiervan. Permanente reguliere huisvesting kan niet worden ingezet voor het gva.

  • Wie zorgt voor de inrichting van de woning, ziet toe op correcte bewoning en treedt op bij overlast?

    De gemeente zorgt voor de inrichting van de woning en voor de basisfaciliteiten (zoals inrichting, douche, kookgelegenheid, wasmachine en tv). De vergunninghouder moet zelfstandig in de woning kunnen verblijven. De gemeente zorgt ervoor dat de woning volledig is ingericht voordat de vergunninghouder wordt ingeplaatst.

    De gemeente ziet ook toe op correct gebruik van de woning.

  • Tekent de vergunninghouder een huurcontract?

    Nee. De gemeente huurt de gva-woning en is dus huurder van die woning. Wèl kan de vergunninghouder gevraagd worden een 'gebruikersovereenkomst' te tekenen voor zorgvuldige bewoning en gebruik van de tijdelijke woonruimte en de aangeboden faciliteiten.

  • Hoe biedt de gemeente de gva-woonruimte aan?

    Een gemeente die gva-woonruimte voor vergunninghouders beschikbaar heeft, neemt contact op met het COA via uitstroomondersteuning@COA.nl. De gemeente meldt hoeveel vergunninghouders zij in de gva-woning(en) kan plaatsen en per wanneer. De gemeente meldt tevens bij welke huisarts en tandarts de vergunninghouders terecht kunnen.

  • Welke doelgroep wordt geselecteerd voor deelname aan het gva?

    Vergunninghouders die gekoppeld zijn aan de gva-gemeente en in bezit zijn van een burgerservicenummer BSN behoren tot de doelgroep van het gva. In overleg met de gva-gemeente kan eventueel worden besloten om ook vergunninghouders zonder BSN in het gva te plaatsen. De gva-gemeente zorgt dan voor de benodigde eerste inschrijving in de BRP.

    Alleenstaande minderjarige vergunninghouders en vergunninghouders met een hoger dan gemiddeld gezondheidsrisico komen niet in aanmerking voor het gva.

    Het is de bedoeling dat de vergunninghouders die volgens het gva zijn geplaatst zo snel mogelijk doorstromen naar een reguliere, permanente woning. Het COA zorgt er voor dat er een nieuwe vergunninghouder instroomt op de lege plek in de gva-woning.

  • Wie selecteert de vergunninghouders voor een gva-woning en op basis waarvan?

    Het COA selecteert de vergunninghouders. Dit zijn vergunninghouders die gekoppeld zijn aan de gva-gemeente en in bezit zijn van een burgerservicenummer BSN behoren tot de doelgroep van het gva. In overleg met de gva-gemeente kan eventueel worden besloten om ook vergunninghouders zonder BSN in het gva te plaatsen. De gva-gemeente zorgt dan voor de benodigde eerste inschrijving in de BRP.

  • Kan er maatwerk geleverd worden?

    Het COA probeert waar mogelijk maatwerk te leveren. De regievoerder van het COA heeft hierin een belangrijke rol en zal hierover in contact treden met de gemeente.

    Het COA heeft wel een sterke voorkeur voor het first-in-first-out-principe (fifo). Dat is een eerlijk systeem dat recht doet aan de situatie van de vergunninghouder: degene die het langst wacht, komt als eerste in aanmerking voor tijdelijke huisvesting in de gemeente en kan zijn leven in deze gemeente gaan opbouwen. Als het COA op verzoek van de gemeente andere selectiecriteria zou hanteren (bijvoorbeeld:jongeren, alleenstaande vrouwen, een specifieke nationaliteit of vergunninghouders die willen studeren) dan moet het COA het fifo-principe loslaten. Er moet dan uitgelegd worden aan de achterblijvende vergunninghouders waarom zij niet in aanmerking komen en een ander, die minder lang op huisvesting in dezelfde gemeente wacht, wel.

    Veel gemeenten verzoeken het COA om gezinnen. Of dit mogelijk is, hangt af van de samenstelling van de populatie. Ook moet niet het beeld ontstaan dat gezinnen eerder huisvesting krijgen dan alleenstaanden. Op dit moment zijn er veel alleenstaande mannen in de opvang. Veel van deze mannen zijn bezig met gezinshereniging.

  • Kan een gemeente meer gva-woonruimte aanbieden dan dat er gekoppelde vergunninghouders zijn? Kan het gva worden ingezet als regionale overloopfunctie?

    Ja, dat kan.De behoefte aan opvangplekken bij het COA is erg groot. Daarom maakt het COA graag gebruik van elke tijdelijke woning die gemeenten aanbieden.

    Indien er niet genoeg aan de gva-gemeente gekoppelde vergunninghouders zijn die in aanmerking komen voor plaatsing in het gva, zoekt het COA naar geschikte vergunninghouders die aan andere gemeenten zijn gekoppeld, bij voorkeur in omliggende gemeenten of in de regio. Tussen de gemeenten onderling moeten vervolgens duidelijke afspraken gemaakt worden over de reguliere huisvesting van de via het gva geplaatste vergunninghouders binnen de termijn van maximaal 24 maanden. Het is dan wenselijk om daarover contact te hebben met de COA-regievoerder. Houd er hierbij rekening mee dat de vergunninghouder maar een keer kan meetellen voor de taakstelling en dat de vergoeding voor maatschappelijke begeleiding ook maar een keer wordt uitgekeerd.

  • Is het gva-aanbod vrijwillig?

    Nee, wanneer de vergunninghouder is geselecteerd voldoet hij aan de criteria voor het gva en is hij verplicht van het aanbod gebruik te maken. Indien hij weigert te vertrekken uit de opvang, start het COA een ontruimingsprocedure. De gemeente houdt de gva-woonruimte 48 uur beschikbaar na overhandiging van het overplaatsingsbesluit door het COA aan de vergunninghouder. Daarna wordt de gva-woonruimte beschikbaar gesteld aan een andere vergunninghouder.

  • Hoe wordt de vergunninghouder geïnformeerd over gva-deelname?

    Het COA is verantwoordelijk voor het informeren en voorbereiden van de geselecteerde vergunninghouder.

    De informerende rol wordt overgenomen door de gemeente vanaf het moment dat de vergunninghouder in de gva-woning is geplaatst.

  • Wat is de termijn van uitplaatsing vanuit het azc naar de gva-woning?

    Het COA ontvangt het aanbod van de gemeente bij voorkeur zo vroeg mogelijk en hoort ook graag zo spoedig mogelijk de daadwerkelijke datum van inplaatsing. Het COA heeft immers tijd nodig om de vergunninghouders te selecteren en zorgvuldig te informeren. De vergunninghouder heeft tijd nodig om afscheid te nemen (bijvoorbeeld van school) en zijn vertrek voor te bereiden.

    Er zitten minimaal 5 dagen tussen het aanbod van de gemeente en de feitelijke instroomdatum van de vergunninghouders in het gva.

  • Keert een vergunninghouder na het gva terug naar de COA-opvang?

    Nee.

    In principe verblijft de vergunninghouder in de tijdelijke gva-woning tot het moment dat de gva-gemeente een permanente woning heeft gevonden. Omdat de vergunninghouders die het langst gekoppeld zijn aan de gemeente als eerste worden geplaatst in het gva, is het de bedoeling dat deze vergunninghouders ook als eerste doorstromen naar definitieve huisvesting.

    Indien de gemeente na 24 maanden (gerekend vanaf datum vergunningverlening) nog geen definitieve huisvesting heeft gevonden, stopt het COA de huisvestingsvergoeding voor de gemeente en ook de verstrekkingen aan de vergunninghouder. De gemeente neemt de vergunninghouder definitief over. Er is dus geen sprake van herinstroom op de COA-locaties.

  • Is het mogelijk het verblijf in gva-woonruimte te verlengen of terug te keren naar COA-opvang?

    Nee.

    In principe verblijft de vergunninghouder in de tijdelijke gva-woning tot het moment dat de gva-gemeente een permanente woning heeft gevonden. Omdat de vergunninghouders die het langst gekoppeld zijn aan de gemeente als eerste worden geplaatst in het gva, is het de bedoeling dat deze vergunninghouders ook als eerste doorstromen naar definitieve huisvesting.

    Indien de gemeente na 24 maanden (gerekend vanaf datum vergunningverlening) nog geen definitieve huisvesting heeft gevonden, stopt het COA de huisvestingsvergoeding voor de gemeente en ook de verstrekkingen aan de vergunninghouder. De gemeente neemt de vergunninghouder definitief over. Er is dus geen sprake van herinstroom op de COA-locaties.

  • Wat zijn de afspraken rondom het doorgeven van mutaties gedurende het verblijf van de vergunninghouder in het gva (bv bij geboorte, bij vertrek met onbekende bestemming, vertrek door definitieve huisvesting).

    Gemeente geeft mutaties door aan de COA-locatie die administratief is gehangen aan de gva-locatie. In de meest gevallen is dat het dichtstbijzijnde azc.

    Indien er sprake is van vertrek door definitieve huisvesting informeert de gemeente het COA over de ingangsdatum van het huurcontract. Twee weken later stopt het COA de verstrekkingen voor de vergunninghouder en de huisvestingvergoeding gva aan de gemeente.

  • Wie begeleidt de vergunninghouder tijdens zijn verblijf in het gva?

    Vanaf het moment dat een vergunninghouder in de gva-woning is geplaatst neemt de gemeente de begeleiding van de vergunninghouder van het COA over. De gemeente ziet ook toe op correct gebruik van de woning en treedt op bij overlast. Het COA heeft hierin geen rol.

    De begeleiding en ondersteuning tijdens het gva zal meer op afstand zijn dan dat op de COA-locatie het geval was. Er wordt een groter beroep gedaan op de zelfstandigheid en het initiatief van de vergunninghouder. Het COA informeert de vergunninghouder hierover zodat de vergunninghouder niet voor verrassingen komt te staan.

  • Mogen vergunninghouders in het gva al beginnen met het inburgeringstraject?

    Iedereen die inburgeringsplichtig is en is ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP) kan zich opgeven voor een inburgeringstraject. Hiervoor heeft de vergunninghouder een kennisgevingsbrief van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) nodig. Zodra hij die brief heeft ontvangen kan de vergunninghouder zich inschrijven en een lening aanvragen. Voor vergunninghouders die gebruikmaken van de gva-regeling, vergoedt het COA de reiskosten naar de locatie van het inburgeringstraject vanaf een reisafstand (per fiets) van 10 km of meer - enkele reis.

    De vergunninghouder die deelneemt aan het gva is uitgesloten van deelname aan het programma Voorbereiden op Inburgering van het COA.

  • Tot wanneer kon een vergunninghouder geplaatst worden in het gzza?

    Het gva vervangt per 1 januari 2016 het gemeentelijk zelf-zorgarrangement (gzza). Indien een gemeente voor 1 januari 2016 het gzza-aanbod had gemeld aan het COA, kon de vergunninghouder tot 1 februari 2016 worden geplaatst. Aangezien deelname aan het gzza maximaal 6 maanden duurt, betekent dit dat ten laatste op 1 augustus de laatste gzza'ers uitstromen.

    Na 1 februari 2016 kan een vergunninghouder niet meer op een gzza-plek geplaatst worden. De gemeente kan de vrijgekomen plek dan wel aanbieden als gva-plek.

  • Wat moet de gemeente doen als een gzza-plek na 1 februari 2016 vrijkomt?

    Na 1 februari 2016 kan een vergunninghouder niet meer op een gzza-plek geplaatst worden. De gemeente kan de vrijgekomen plek dan wel aanbieden als gva-plek.

  • Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen gzza en gva?
    GZZA GVA
    Duur regeling

    Vanaf 12-10-2015 tot 1-1-2016.
    Tot 1-2-2016, indien vergunninghouder al is aangemeld vóór 1-1-2016, maar nog niet is gehuisvest.

    Vanaf 1-1-2016 tot 1-1-2017
    Maximale duur verblijf in tijdelijke woning 6 maanden (vanaf deelname gzza) deelname gzza)
    2 jaar (vanaf moment vergunningverlening)
    Aantal deelnemers Onbeperkt Max 10.000 aangemelde en geplaatste vergunninghouders
    Vergoeding aan gemeente (pppw) €100 €50 volwassene
    €25 kind
    Jeugdzorg en WMO Valt onder rza Per direct naar de gemeente, werkwijze conform gzza
    Jeugdgezondheidszorg preventief Via het COA Per direct naar de gemeente
    COA Meldplicht (i.e. inhuisregistratie) Ja Nee
    Telt mee voor taakstelling? Na verhuizing naar permanente reguliere huisvesting Vanaf start deelname aan gva
    Begeleiding COA (op afstand en beperkt) Gemeente zorgt voor maatschappelijke begeleiding en ondersteuning. Het COA is alleen te benaderen voor vragen over weekgeld, verstrekking buitengewone kosten en rza/WA-verzekering.

Nareis

 

  • Hoe weet ik welke statushouders in mijn gemeente gezinshereniging hebben aangevraagd?

    Meestal is de statushouder al gekoppeld aan een gemeente (lang) voordat zijn of haar gezin naar Nederland komt. De gemeente kan in het TVS-systeem zien of een statushouder gezinshereniging heeft aangevraagd.

  • Wie heeft er recht op gezinshereniging?

    Op grond van de Europese gezinsherenigingsrichtlijn bestaat er recht op gezinshereniging voor echtgenoten, partners en minderjarige kinderen die feitelijk tot het gezin van de statushouder behoren. Statushouders komen ook in aanmerking voor hereniging met meerderjarige afhankelijke kinderen. Ook alleenstaande minderjarige statushouders kunnen een aanvraag gezinshereniging doen voor hun ouders, broers en zussen.

  • Hoe lang duurt de procedure voor gezinshereniging ongeveer?

    De procedure voor gezinshereniging neemt minstens enkele maanden in beslag. Zodra een asielzoeker een verblijfsvergunning heeft kan hij een aanvraag voor gezinshereniging indienen. Dat moet binnen drie maanden. De IND heeft een beslistermijn van zes maanden. Als de IND de aanvraag inwilligt wordt een zogenaamde machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) verleend. De statushouder ontvangt daarover een brief. Daarna moeten de nareizende gezinsleden naar een buitenlandse post (ambassade of consulaat) voor het ophalen van de mvv. Het kan enkele weken duren om een afspraak te maken en er naartoe te reizen. Als op de buitenlandse post alle zaken zijn geregeld duurt het gemiddeld nog 4 weken tot het gezin aankomt in Nederland. In individuele situaties loopt dit uiteen van enkele dagen tot bijna 3 maanden.

  • Krijgen de nareizigers ook een zelfstandige verblijfsvergunning?

    Nareizigers krijgen geen zelfstandige maar een afgeleide verblijfsvergunning (omdat ze tot het gezin van de statushouder behoren). Bij verbreking van de gezinsband (bijvoorbeeld door echtscheiding) kan de afgeleide vergunning worden ingetrokken. Het gezinslid kan dan eventueel een zelfstandige asielaanvraag doen.

  • Wie betaalt de kosten van gezinshereniging? Zijn er instanties die bijdragen in deze kosten?

    Statushouders betalen zelf de kosten van gezinshereniging.

    In gemeenten die begeleiding van statushouders bij VluchtelingenWerk Nederland (VWN) hebben belegd kan de statushouder voor deze kosten (in bepaalde gevallen) een beroep doen op het Vluchtelingenfonds. Dit fonds wordt beheerd binnen de regionale stichtingen van VWN. De regeling is per regio enigszins verschillend. Meestal geldt een drempelbedrag en kan alleen een deel van de ticketkosten worden vergoed.

  • Worden alle nareizende gezinsleden opgevangen in een AZC?

    Als de statushouder woont in een woning die geschikt is voor het hele gezin dan kunnen de gezinsleden daar direct gaan wonen. Wel is het essentieel dat zij direct na aankomst in Nederland een afspraak maken in Veenhuizen voor registratie (zie vraag 11).

    Soms worden nareizende gezinsleden wel tijdelijk in het AZC opgevangen. Dat gebeurt als de statushouder zelf nog in het AZC verblijft of in een woning woont die ongeschikt is voor een gezin (zie vraag 7).

  • Een statushouder in mijn gemeente woont (tijdelijk) op kamers. Nu reist zijn gezin in, maar er is niet direct een passende woning beschikbaar. Hoe gaan andere gemeenten daarmee om?

    Sommige gemeenten kiezen ervoor om regionaal samen te werken en maatwerkafspraken te maken met de COA-regievoerder.

    Een voorbeeld: gemeente X en Y werken samen op het gebied van huisvesting. Vader A is vorig jaar via kamerbewoning gehuisvest in gemeente X. Zijn echtgenote met 4 kinderen reist nu in. Omdat gemeente X geen passende woning beschikbaar heeft, spreken zij met de COA-regievoerder af dat deze het gezin koppelt aan gemeente Y. Deze gemeente heeft namelijk wel direct een woning beschikbaar. Vader A is meegeteld voor de taakstelling in gemeente X en dat blijft zo. Hij verhuist nu naar gemeente Y. De overige gezinsleden tellen mee voor de taakstelling van gemeente Y.

  • Wordt een nareizende familie van een AMV altijd gehuisvest in de gemeente waar de AMV al woont?

    In principe wordt bij aankomst van de nareizigers het gehele gezin (inclusief de AMV) geplaatst in het AZC. Van daaruit worden ze gekoppeld aan een gemeente en daar gehuisvest.

    Als jongeren al in een gemeente wonen (in een Nidos-locatie of een pleeggezin) kan het gewenst zijn om het hele gezin in die gemeente te huisvesten. Op die manier wordt immers het netwerk behouden. Dit is maatwerk en gaat in overleg tussen Nidos, gemeente en COA-regievoerder. Omdat de familieleden een afgeleide verblijfvergunning hebben, geldt ook bij AMV-ers het samenwoningvereiste.

  • In mijn gemeente blijkt een gezin (dat kort geleden is ingereisd ) al bij een statushouder in de woning te wonen. Hoe zorg ik als gemeente dat ik eerder in beeld krijg welke nareizigers in de gemeente komen wonen?

    Er zijn verschillende manieren om nareizigers in beeld te krijgen:

    1. De gemeente kan in het TVS-systeem zien of een statushouder gezinshereniging heeft aangevraagd. In TVS wordt ook aangegeven wanneer het moment van inreizen wordt verwacht.
    2. De gemeente kan de organisatie die de maatschappelijke begeleiding uitvoert of zij signalen over de aankomst van nareizigers willen doorgeven.
    3. Als het gezin de procedure in Veenhuizen (zie 12) heeft doorlopen en zich daarna inschrijft bij de gemeente waar ze (gaan) wonen, vindt signalering ook plaats via het BRP.
  • Als ik (als gemeente) een signaal krijg dat er een gezin is ingereisd in mijn gemeente, wat moet ik dan als eerste doen?

    Het is essentieel dat nareizende gezinsleden binnen 3 dagen na aankomst in Nederland een afspraak maken bij de IND in Veenhuizen. Zij hebben hierover informatie gekregen op de buitenlandse post waar hen de mvv is uitgereikt. Ook de statushouder is hierover per brief geïnformeerd.

    In Veenhuizen is in 2016 een centraal punt ingericht waar BRP-inschrijving en verblijfs-document worden geregeld (zie 13). Het is noodzakelijk dat er daadwerkelijk een afspraak wordt gemaakt bij de IND. Op die manier kan de IND tijdig het dossier over de nareizigers(s) aanmaken, een BRP-toets uitvoeren en het verblijfsdocument bestellen.

    Ook de maatschappelijk begeleiders en gemeente kunnen er alert op zijn dat nieuw aangekomen nareizigers binnen 3 dagen een afspraak maken in Veenhuizen.

  • Hoe worden nareizende gezinsleden ingeschreven in de BRP en hoe snel kunnen ze hun verblijfspas ontvangen?

    Als de gezinsleden op de afgesproken dag en tijd komen, kunnen ze binnen drie dagen Veenhuizen weer verlaten mét een BRP-inschrijving en mét een verblijfsdocument op de juiste naam. Hiermee kunnen ze zich als burgers definitief in Nederland vestigen.

    BRP-inschrijving en verblijfspas zijn essentieel om huisvesting, afsluiten verzekeringen, aanvragen toeslagen, verkrijgen bankrekening enz. mogelijk te maken.

    Komen de nareizende gezinsleden onaangekondigd in Veenhuizen, dan is het erg onzeker of zij binnen drie dagen alle administratieve benodigdheden verkrijgen. Dat is niet gewenst, want daarmee stokt ook het proces van vestiging in de gemeente.

  • Tellen alle nareizigers mee voor de taakstelling?

    Ja, nareizigers tellen mee voor de taakstelling zodra zij door de gemeente zijn gehuisvest. De gemeente ontvangt dan ook de daarbij behorende vergoedingen voor maatschappelijke begeleiding en integratie.

  • Ik hoorde verhalen van een gezin van 6 personen dat maanden aangewezen was op de voedselbank omdat ze moesten leven van een alleenstaandenuitkering. Hoe zorgen we dat er snel voldoende financiële middelen in het gezin aanwezig zijn?

    Door de nareizigers direct in te laten schrijven in de BRP in Veenhuizen (zie vraag 11). Daarna kunnen uitkeringen en toeslagen worden aangevraagd of aangepast.

  • Krijgen nareizende gezinsleden een gezondheidsscreening als ze Nederland binnenkomen?

    In Veenhuizen (zie vraag 11) krijgen nareizende gezinsleden een TBC-screening.

    De maatschappelijk begeleider kan hen daarna helpen om het gezin aan te melden bij medische diensten in de woonplaats (huisarts, tandarts, etc.). Als er specifieke zaken moeten worden geregeld (bijvoorbeeld voor ouderen, gehandicapten of chronisch zieken) is het verstandig snel een bezoek te brengen aan de huisarts. Als intake met de huisarts plaatsvindt binnen twee weken na inreis worden de tolkkosten nog vergoed.

    Kinderen worden na vestiging in de gemeente opgeroepen voor een consult in het kader van de Jeugd Gezondheidzorg (JGZ).

  • Hoe weten basisscholen en ISK op hoeveel kinderen van statushouders ze moeten rekenen?

    Door het raadplegen van TVS heeft de gemeente inzicht in het aantal inreizende kinderen. Het is voor basisscholen belangrijk dat zij tijdig hierover geïnformeerd worden. Voor ISK’s geldt dat zij geïnformeerd moeten worden over jongeren die in de omliggende gemeenten komen wonen. Het ISK heeft immers vaak een regionale functie.

  • Voert COA ook screening en matching uit voor nareizende gezinsleden?

    Nee, screening en matching geldt niet voor nareizende gezinsleden. Het is aan de gemeente met de nareizigers afspraken te maken over inburgering, scholing en participatie. Het is daarom verstandig dat de gemeente volwassen gezinsleden uitnodigt voor een vorm van intake.